Featured News

Featured Publication

Featured Project

The UPSTREAM project examines the rationale and impact of the mainstreaming of integration governance.

Read More ...

 
 

Vandaag bespreekt de Rotterdamse gemeenteraad de nota Integratie 010. Als onderzoeksgroep ‘Governance of Migration and Diversity’, hebben we (Mark van Ostaijen, Warda Belabas, Ilona van Breugel, Rianne Dekker en ik) een reactie geschreven, die is opgepikt door Trouw. Voor eenieder die geen Trouw heeft, hieronder de integrale tekst:

 

De Integratie moet van twee kanten komen

Het is weinigen in Nederland ontgaan. Leefbaar Rotterdam werd de afgelopen gemeenteraadsverkiezingen de grootste partij in Rotterdam. Die partij, met fractievoorzitter Joost Eerdmans voorop, voerde succesvol campagne met ronkende beloften over met name migratie- en integratiethema’s. Zo zou er een ‘quotum’ komen op de ‘instroom’ van Midden- en Oost-Europeanen en een aanpak gericht op ‘eigen werklozen eerst’. Na de verkiezingsoverwinning smeedde Leefbaar een college met D66 en CDA wat Leefbaar de wethouder voor ‘Stedelijke Ontwikkeling en Integratie’ opleverde. Vandaar dat het vaststellen van de Integratienota door de gemeenteraad aanstaande dinsdag een belangrijke politieke botsproef is in Rotterdam.

En niet voor niets. Rotterdam is zeker op het terrein van integratie vaak van nationale betekenis geweest, denk aan de uitvinding van het inburgeringsbeleid, de opkomst van Fortuyn en de Rotterdamwet. Ook Leefbaar fractievoorzitter en wethouder Joost Eerdmans ziet Rotterdam graag als ‘nationale voorloper en laboratorium van Nederland’. Het is daarom van belang goed tegen het licht te houden wat deze integratienota betekent. Is dit een hoopvolle innovatie of, zoals Rotterdamse oppositiepartijen stellen, eerder een ‘vaag, eenzijdig en nietszeggend document’ (SP, Groenlinks, VVD) met ‘weinig visie en creativiteit’ (PvdA)?

Wat ons betreft is ‘Integratie 010’ vooral een politiek pamflet dat het superdiverse karakter van Rotterdam volledig ontkent. Allereerst wordt ‘integratie’ geproblematiseerd als een eenzijdige verantwoordelijkheid van de migrant, die ‘een inspanning moet leveren’ om deze ‘morele plicht’ te vervullen. Maar een eenzijdige plicht tot integratie neigt naar assimilatie. Hiervoor wordt de illustere metafoor van de snelweg aangehaald, ‘’waarbij het in eerste instantie aan de invoeger is om moeite te doen en initiatief te tonen om veilig in te kunnen voegen’’ Deze metafoor is problematisch want het schetst integratie als een exclusieve plicht van migranten. Opmerkelijk genoeg lijkt deze opvatting breder te worden gedeeld, aangezien minister-president Mark Rutte recent nog benadrukte dat ‘migrantenjongeren zich moeten invechten op de arbeidsmarkt’. Daarnaast is de metafoor hoogst ongelukkig aangezien een snelweg de minst sociale en interactierijke plek is in Nederland. Als integratie namelijk moet plaatsvinden op een plek waar geen dialoog mogelijk is en waar mensen bij elkaar zijn om zo snel mogelijk te verdwijnen, geeft dat te denken.

Vervolgens wordt er in de nota een tegenstelling gecreëerd tussen ‘de migrant’ en ‘de samenleving’ waartussen allerlei culturele verschillen staan die ‘overbrugd’ moeten worden. Door de migrant. Alsof migranten niet al die zogenaamde samenleving zijn en het een eenduidige groep is die ‘buiten’ die samenleving geplaatst kan worden. Juist omdat Rotterdam nog diverser aan het worden is, heeft de stad behoefte aan een visie die accepteert dat de ‘world port city’ nu ook een ‘city of the world’ is geworden. Maar integendeel. ‘Integratie 010’ geeft blijk van een stadsbestuur dat terug lijkt te willen naar de jaren ’90 aangezien men op een badinerende toon spreekt over migranten waar de overheid ‘’een stukje meeloopt als dat niet vanzelf gaat’’.

Ten slotte voelen wij ons als Rotterdammers achtergesteld, uitgesloten en gediscrimineerd. Want waar zijn ‘wij’ in dit beleid? Wij als zogenaamd ‘gewone’ Nederlanders zijn ontslagen van enige etniciteit, hebben –om met onze collega Willem Schinkel te spreken- dispensatie van integratie en zijn van iedere plicht ontslagen om daar een bijdrage aan te leveren.

Daarmee problematiseert Rotterdam integratie eenzijdig richting de migrant die hard aan het werk moet waar zelfbenoemde ‘Nederlanders’ een voornamelijk passieve en indirecte rol in vervullen. Die inactieve, uitgesloten en discriminatoire positie laten wij onszelf niet aanleunen. Dit beeld, die metafoor en dat beleid is de politieke retoriek van een stad in zelfontkenning. Dat is niet ons Rotterdam.